x

Van Griethuysen aan predikanten + approbatie


Spreeckende Schildery (1646) begint met een gedicht van Van Griethuysen gericht aan predikanten en andere leden van de gereformeerde kerk in Appingedam. Ze vraagt de aangesprokenen een oordeel te vellen over haar verzen - is de inhoud goed genoeg om gepubliceerd te mogen worden? In de eerste drie strofen worden de predikanten opgehemeld: omdat zij op aarde het volk beschermen (zoals hoeders het vee beschermen) is voor hen het eeuwige leven in de hemel weggelegd na hun dood. Vanaf de vierde strofe treedt Van Griethuysen zelf naar voren: ook zij hoopt de hemel te betreden. Vóór ze in de volgende drie strofen haar verzoek uit de doeken doet, groet ze de toegesproken kerkelijken en wenst hen Gods Gunst toe - hoewel ze weet dat zij die allang verkregen hebben, schrijft ze. In de voorlaatste strofe benadrukt ze dat haar bundel niet geschreven is voor eigen gewin, maar om inzicht te bieden aan degenen die ‘loopen sonder sien’. Op het verzoek van Van Griethuysen de bundel te beoordelen volgt een approbatie, ondertekend door de voorzitter en secretaris van het classicale bestuur. Secretaris ds. Andreas Bernardus Ollerhemius is van 1637 tot 1638 predikant te Solwerd en vanaf 1644 ook van Marsurn. Voorzitter ds. Sibrandus Fransiscus Eilshemius is een bevriende predikant van Van Griethuysen; enkele jaren later geven zij zelfs samen het lijvige boek Hemelsche Troost-Borne uit. Ze verklaren in Spreeckende Schildery niets gevonden te hebben wat tegen Gods Woord ingaat, wat in feite nogal verwonderlijk is, zoals ik in de inleiding bespreek.



De E. E. Godtzalige Wel-Geleerde,


Predigers, ende Broederen, in den Heere

Christo; residerende onder d’ Eerweerdige Classis in Appinga-Dam;

Wenscht Sibylle van Griethuysen, langh ende Geluckzalich Leven;


Ghy die van’t ware Licht gesonden zijt in’t Duyster

Tot onser aller Luyster

Wiens last den Fackel vaet

Daer d’ uyt-vercooren Schaer een-parich achter gaet.


5 Ghy die alleen niet leeft van Christi Kerck te hoeden

Maer in de Hoogste Goeden

Sult op-geflonckert staen

Als boven ‘t glond’ Gestar de claer en held’re Maen;


En weder ghy die ‘t Vee door fuyg en trage Golven

10 Laet roven van de Wolven:

Off dwalen in den Vloet

Wil Godt uyt dijnen handt vervorderen het Bloedt;


Een’ die het Eeuwich Rijck soo garen soud’ begroeten

En stoten dit met voeten:

15 Die groet u al met een;

En wenscht u Godes Gunst bereydt soo langh voor-heen.


Die biedt u een Geschrift en eyscht een suyver Oordeel

Tot Roem noch ijd’len Voordeel;1

Maer dat het mach geschien

20 Tot Claerheyt van de geen die loopen sonder sien.


Wel oordeelt dan gesondt en na de Verssen blijcken

Soo wilt het Vonnis strijcken;

Te weten off het sal

Versmoren onder ‘t Dack? off reysen over al?2


APPROBATIE,

Ofte Copye uyt de Acten des Classis van

Appinga-Dam, geschiet Anno 1646, den 12. Meert.


Hebben Domini Deputati Classis verhaest,

dat sy het Boecksken van Sibylle à Griet-

huysen, genaemt Spreeckende Schildery,

op haer versoeck, door last en commissie des

5 E. Classis, hadden door-lesen, ende daer

in gevonden stichtelijcke Leeringhen, Vermanin-

gen, Bestraffingen, ende Vertroostingen, niets daer

in zijde, dat tegen Godes Woordt strijdet.


Collat. accord. testamur,

Sibrandus Fransisci, Pastor in Appingadam, p.t. Classis Praeses, &

Andreas Bernhardi; Pastor in Marssum & Solwert, p. t. Scriba.



Van Griethysen aan Anna Ripperda


Van Griethuysen richt zich in haar opdrachtvers niet tot de minste. Het geslacht Ripperda bekleedt vanaf de vijftiende eeuw een zeer aanzienlijke positie in Oost-Friesland en de Ommelanden van Groningen - in Farmsum en omgeving hebben zij zelfs enige tijd zowel de rechtspraak als de proosdij in handen. ‘Het huis Farmsum’, de borg die de familie in dit dorp in bezit heeft, vormt het decor voor de gebeurtenis die Van Griethuysen beschrijft in haar vers, dat gericht is aan de adellijke Occa Johanna Ripperda (????-1686). Occa is dochter van Hero Maurits Ripperda (1592-1633) en Anna Margareta Rengers (1600-1663), en zal tweemaal trouwen: eerst met Enno Adam Freiherr Von Inn- Und Knyphausen (1610-1654), en na zijn dood met de Zweedse generaal Erik Greve Stenbock Til Bogesund - een van de hoogste edellieden van Zweden, die sneuvelt bij het beleg van Kopenhagen. Ripperda bekleedt tot slot het ambt van oppermeesteres van koningin Christina van Zweden aan het hof van Stockholm, maar zo ver is het nog lang niet wanneer Van Griethuysen haar aanschrijft: op dat moment is zij, in ieder geval volgens het gedicht, nog niet getrouwd en woont nog in Farmsum. Mogelijk hield zij zich net als Van Griethuysen bezig met schrijven: op internet wordt melding gemaakt van een volumineus kookboek dat zij geschreven zou hebben.

Aanleiding van het vers is het boek Van de uitnementheyt des vrouwelicken geslachts: verciert met historyen, ende kopere platen: als oock Latynsche, ende nederlantsche verssen van Mr. Corn. Boy (1643) door Johan van Beverwijck, dat Van Griethuysen van de Ripperda’s geleend heeft. In het werk van Beverwijck passeren vrouwelijke poëten en musici de revue, maar alle besproken vrouwen zijn of ongetrouwd, of behoren tot de adel. Van Griethuysen maakt zich hier in eerste instantie boos over, omdat Van Beverwijck volgens haar vergeet dat er ook prijzenswaardige vrouwen uit lagere klassen te noemen zijn. Occa Johanna Ripperda ontvangt haar echter op het slot en vertelt Van Griethuysen dat ze zich niet op het aardse moet richten omdat je hier maar tijdelijk bent: in Jezus’ rijk bestaan standen en klassen niet. Van Griethuysen, zich bewust van haar eigen gebreken - dat ze kritisch was op Van de uitnementheyt des vrouwelicken geslachts en Jezus’ rijk niet direct het belangrijkste vond - vraagt Van Beverwijck haar te vergeven.

In de laatste vier strofes vertelt Van Griethuysen dat ze van Ripperda geleerd heeft, en dat haar moeder, Margareta Rengers, haar ‘ontsluyt, door Schrift, Mondt, Daet, haer Gonst, en Librery (bet. boekenzaal) (v. 40).’ Van Griethuysen heeft met andere woorden veel te danken aan de familie en biedt Occa Johanna daarom Spreeckende Schildery aan. Niet omdat zij nog iets van de stof kan leren, maar juist omdat deze het met haar eens is: Van Griethuysen schrijft dat Occa’s ziel al met Jezus ingespannen is en zij bovendien zijn bruid is, aangezien zij het aardse huwelijk tot op heden de rug toekeert. Hoewel zelfs de phoenix der dichters en Gods boden altijd nog kunnen bijleren, is dat voor Occa niet het geval: de bundel is voor haar daarom slechts voor vermaak.

Hoewel we in concreto alleen leren dat Van Griethuysen gebruik mocht maken van de boekenzaal van de Ripperda’s en daar boeken kon lezen of lenen, wordt in dit opdrachtvers op meerdere momenten gesuggereerd dat Van Griethuysen meer profijt had van haar contact met de familie. Zo begroet ze Ripperda met “mijn licht, Fonteyn en Leerder” en verklaart ze in vers 40, die ik hier boven al aanhaalde, dat ook Margareta Rengers haar verschillende gunsten verleent. Een versregel later schrijft ze bovendien: “So leg’ ick dit Geclad verplicht nae hoochlijck groeten, / Eerbiedich voor u Voeten,”. ‘Verplicht’ kan in dit verband goed de betekenis hebben dat Van Griethuysen, door weldaden, gunsten of diensten, in een verhouding gebracht is waarbij ze dankbaarheid verschuldigd is.In de slotzin, ‘Van uwer Wel-Edele ver-obligeerde Onderdanigste Dienares’, valt het woord ‘ver-obligeerde’ op, dat opnieuw inhoudt dat Van Griethuysen een wederdienst verschuldigd is.



Aen de Wel-Edele Ionge Iuffrou, Me-Iuffrou,

ANNA RIPPERDA,

Dochter van den Wel-Ed. Gestr. Heere, HERO MORITS

RIPPERDA, in sijn leven Heer tot Farmsum, Dam, Helm, Schilwol-

da Oostwolda, Siddeburen, cum annexis, &c. Welckers Hoochlijcke

Regieringe, van haer Wel-Ed. Vrou Moeder, ANNA MARGARETA RENGERS, W;

RIPPERDA: op heden Staetliick, met grote Magnificentie en Eere, becleedt wordt,


Ioffrou, wanneer my was, het Vrouwen-Loff, gegeven,

Door BEVERWYCK geschreven,

En dat ick ‘t oog liet gaen,

Van vooren, tot ick sach den lesten Letter staen;


5 So dacht ic, half vertoornt, wat mach den I’HAN doch schrijven?

En dus sijn tijdt verdrijven?

Off is hy yeder gram,

Behalven ‘t Edel Bloedt, en ‘t Volck van Hogen Stam?


Terwijl ick sach vervult, sijn Boeck, vol sulcke Vrouwen,

10 Die niet, off Adel trouwen;

Daer ‘t Landt al om crioelt,

Van Volck, dat spint, en naeyt, en wast, en schuyrt, en spoelt:


Maer, doen ick, met der tijdt, op menich woordt ging passen,

Van die, die schuyren, wassen,

15 Off comen van den Bou,

In’t Huys, by Trappen op, door‘t voordeel van den Trou,


Doen, Ioffrou, doen de Faem u Deugd’ en Glants quam brallen,

En in mijn Ooren vallen;

Doen ick, op u Gebodt,

20 Quam binnen Poort en Gracht, en op u Prinslijck Slot;


Doen ghy my so begroet, mijn Licht, Fonteyn, en Leerder,

Als minder doet sijn meerder,

Daer schier te schrijven was,

Uyt yeder Woordt een Vers, die vloeyden boven pas;


25 Niet van een Aerdtsche Stadt, off Hoff, off Staet, te houden,

Die een-mael moet vercouden,

Maer, van het groote Rijck,

Daer IESUS, Stadt, en Hoff, en Staet, houdt al gelijck:


Daer ick, doen, onder des, schier stonde sonder spreecken,

30 En dacht op mijn Ghebreeeken;

Daer ick mijn Tong bevond’,

So spraeckeloos als BOY, doen hij voor Schuyrmans stond’:


Doen Riep ick, BEVERWYCK! ach! wiltet my vergeven,

Heb ick u Boeck bekeven;

35 Ick loof ‘t een gulden stee,

Daer toe een purp’ren Rock, Ontsach en Eere mee.


Dus, Ioffrou, daer ick dan, door u, ben uyt het dromen,

Tot kennis recht gecomen,

Daer u VROU-MOEDER, my

40 Ontsluyt, door Schrift, Mondt, Daet, haer Gonst, en Librery:


So leg’ ick dit Geclad’, verplicht, nae hoochlijck groeten,

Eerbiedich voor u Voeten,

Niet als wat ongemeens,

Me-Ioffrou! maer, om dat de Stoff met u is eens:


45 Om dat u Eed’le Ziel, met hem is in-gespannen,

Die ‘t Kaff in ‘t vyer sal wannen,

En zijt, en blijft sijn BRUYDT,

En lacht het tijdt-getrou, tot heden, schamper uyt.


Ontfangt het dan in danck; den Phoenix der Poëten

50 Laet die den Rijm-saut eten,

Godts Boden, Sin en Spraeck:

Maer Ghy, ha! Eed’le Pronck! Genietet tot vermaeck.

Van uwer Wel-Edele ver-obligeerde Onderdanigste Dienares,

SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN.


Siet Boy, p de Tijtel-Plaet, in Be-

verwijcks uytnemenheyt der Vrouwen.



Van Griethuysen aan Arent van den Bosch


Van Griethuysen wendt zich in dit prozastuk tot Arent van den Bosch, een schilder en dichter uit Emden (hier: informatie invoegen over Arend van den Bosch! aangevraagd UB” Jahrbuch der Gesellschaft für Bildende Kunst und Vaderländische Altertümer zu Emden, vol. 15 (1903)). Van den Bosch in ieder geval voor 1663 weer in De Republiek, want in dat jaar verschijnt er een gedicht van hem in Parnassus aan ’t Y of konstskole ter deugd, geproduceerd door een kring religieuze dichters rondom Jan Zoet in Amsterdam. Verder wordt in 1707 genoemd in een gedicht van Rudolphus Lydius, in zijn bundel Vermaakelyke tydkorting.

Van Griethuysen begint haar tekst met een uitspraak van de Griekse lierdichter, dat poëzie een sprekend schilderij is - ze verwijst hiermee tevens naar de titel van haar bundel - en dat een schilderij een stilzwijgend gedicht is. Beide kunstvormen zijn bovendien te vinden bij Arent van den Bosch, schrijft ze, wat erop duidt dat hij zowel dichter als schilder was. Het één, de schilderkunst, heeft ze via-via vernomen, maar dat hij schrijft weet ze omdat hij een gedicht op haar eerdere bundel Claeg-lieden Jeremiae (1645) geschreven heeft, hoewel ze zich afvraagt hoe hij haar bundel in handen heeft gehad. Maar, zegt ze, ze schaamt zich niet alleen om de fouten in haar bundel, maar ook omdat zijn gedicht, en dat van enkele van zijn landgenoten, daarin geen plaats vergund is.

Vanaf regel 15 vertelt Van Griethuysen dat zij opnieuw een ‘verssjen’ geschreven heeft, en dat de goden op de Helicon daarom in allerijl vergaderen: dit ‘on-jarig schaep’, Van Griethuysen zelf, heeft een voogd nodig. Hoewel Neptunus en Bachus proberen om de raad om te kopen, luidt uiteindelijk het eensgezinde besluit dat Arent van den Bosch vanwege zijn motto ‘aenmercken doet leeren’ de juiste persoon is. De goden vragen hem om fouten in het werk aan te wijzen, maar ook om het te behoeden voor roven, voor laster, smaad en spot en voor water, wind en vuur. Toch maakt Van Griethuysen zich ongerust: er volgt een lange opsomming van belangrijke figuren uit de oudheid, zoals wetgever Lycurgus en filosoof Socrates met iets wat hen werd aangedaan of waarom ze bespot werden. Ook het Nieuwe Testament wordt genoemd - ‘een zekere monnik’ zou hiervan uitgeroepen hebben dat hij vol ketterijen staat. Van Griethuysen vraagt zich af wat zij dan allemaal te verduren gaat krijgen en vraagt Van den Bosch met een aantal vergelijkingen om niet te hard te oordelen - zo vraagt ze hem om níet op een berg te klimmen om aan Mars en zijn trawanten zwaarden te vragen. Ze zegt ook dat degene, bij wie Spreeckende Schildery tegen de borst stoot, eens zou moeten praten met Alberto, aartsbisschop van Mentz, die over de bijbel uitriep: “Ik zie wel dat alles wat erin staat, tegen ons is.”

In de slotalinea offert Van Griethuysen haar bundel eindelijk aan Van den Bosch - niet om het een mooie glans te geven, maar om alle fouten, te wijten aan Van Griethuysen’s ‘vrouwelijke stijl’, te laten zien en om een vruchtbare grond te maken waarop betere teksten geschreven kunnen worden (?) en haalt nog iets aan over vochtige herssenen ‘soo ’t onlangs tegen sekeren Joffrou zy gedreven’ (deze verwijzing moet ik nog even proberen op te zoeken, al zal dat niet makkelijk zijn). Tot slot meldt Van Griethuysen dat zij graag, nadrukkelijk náást haar huishoudelijke taken, wil blijven schrijven om zo Gods Eer te vergroten en daarnaast om men te onthechten van het wereldse.



Den Eer-en-Achtbaren, Voorsienighen ende Constrijcken,

ARNOLDO VAN DEN BOSCH

Schilder, &c. ende Phoenix der Oost-

Friessche Poëten; Gheluck ende Zalicheyt.


Eer en Achtbare Waerde Vriendt;


Den Griecxschen Simonides, en seyt niet sonder vast-ge-

knoopte redenen dat de Poësy is een Spreeckende Schildery;

en wederom den Schildery een Stil-swijgende Dicht. Dit

by my selven wat naerder over-wogen hebbende be-

5 vinde beyde met uyt-muntende defticheyt by D. E. Den

eenen door den luchtigen Fama my toe gedragen: en den

anderen op mijn geringe Verssen (sonder kennis en niet wetende hoe u

E: toe-gecomen zijnde) over de Lamentationes Ieremiae, van Wismar aen

my gesonden; hoe wel daer in groote fauten bevonden hebbende; bestaen-

10 de van in vriendelijcke Mis-slagen ofte overtollige Beleeftheden; en my

also met den coleur der beschaemtheyt verwende; hebbe dien deswegen

neffens eenige andere uwer E. Landts-lieden (my tot noch toe onbe-

kent alleen door dese Spreeckende Schilderyen begroetende) geen plaetse

vergunt mede by gedruckt te worden; doch niet te min bespeurt de gee-

15 sticheyt der selver. Hebbbe dan weder de Pen in de handt genomen en een

eenich verssjen uyt dit Hoge Liedt op den laegsten Toon gefongen: Me-

de in aller ijl doen vergaderen de Heliconsche Heerschappye, om een ge-

trouwen Voor-mombaer te kiesen over dit on-jarige Schaep; ‘t Welck

sonder weygeringhe met goeden ordre geschiede. Alleen dat Neptunus

20 met sijn drie-tandige Vorck (in plaets van een gulden Scepter) door

groote Cupperye Giften ende Gaven in’t midden van den vollen Raedt

Geraeckte ende dat Bachus, met noch een worden uyt-gemonstert; den

eenen om dat hy de Waerheydt met Doeten stiet; ende den auderen om

dat hy al sijn Secreten aen het Volckjen vertelde dat men by troppen

25 in ander Lieden Stoepen vindt. Yder nu sijn Oratie ten voor-schijn

brengende so worden eenige bevonden van buyten door ‘t alder-fijnste

Ducaten Goud seer net en schoon vergult te zijn; van binnen vol alder-

leye kruys-straten uyr-wercken en Dool-Hoven; andere van buyten so

wat besoedelt doch van binnen seer suyver luchtich en oprecht: Eyn-

30 delijck brocht Mercurius, den Pan-licker der Bastaert-Goden de een-pa-

rige Commissie aen Apollo: wiens uyt-spraeck met een manierlijck wesen

in onse Damster Tale over-geset het eerste middelste en ‘t leste aldus luyde.


Wy, die op dese Sael, als Midasniet en sitten;

Maer geven ‘t Heylich Recht een uyt-gevaemde Maet:

35 Wy, die’t vertreden Riedt, op ‘t hoogh en ‘t droge spitten;

En sien na Giften niet, noch min, noch meerd’ren Staet.

Verschijnt op ons Gebodt, ghy die door’t cloeck AENMERCKEN,

DOET LEEREN, die noyt wist, hoe scherp den ARENT siet,

die VANDEN Bueck verschrikt, in’t BOSCH, off duyster Percken,

40 Tot dat den Fackel-vlam, vry claerder Stralen schiet:

Ontfonckt dan ‘t Toortsen-Licht, en printer fauten boven,

Doch kampt, als trouwe Voogd, en Hoeder van dit Dier:

Wy laten u de last en sorge, voor het roven,

Voor Laster, Smaet, en Spot, voor Water, Windt, en Vyer.


45 Wel dan geestige en niet te min stichtige Rijmer, desen last op D. E.

gevallen zijnde bevinde my des-wegen becommert: Want is Demosthe-

nes te onrechte uyt Griecken gebannen? Moeste Lycurgus achter Lande gaen

doleu die ‘t Recht sijn Rechters vertrout hadde? Conde den Rechts-geleer-

den Simonides de woedende Gemeente niet in ruste brengen? Waren de gan-

50 gen van Hannibal, Caesar en Pompejus noyt op zijn pas? Wierde Cato be-

spot om sijn haestich eten? Socrates om sijn Wijsheyt? Heeft het Seven-

Bergich Rijck door ijdele fantasyen so menigen keyser verdruckt? zijn

der so veele Swaerden door onschuldige Halsen gedrongen? [Heeft een seec-

ker Monnick, in sijn Sermoen, opentlijck uyt-gebuldert (gelijck den ver-

55 maerden Iurist Conradus Heresbachius selfs gehoort heeft) datter naest cor-

te weecken een spraeck was op de been geraeckt diese de Griecksche noem-

den en dat in die tale een Boeck was uyt-ghecomen datse den naem

van’t Nieuwe Testament gaven; ’t Welck vol ketteryen Adders en Ser-

penten was? Waer van sich ijver soude hoeden ende wachten?][C066] Wat Banis-

60 sementen Versmaetheden Rabrakeryen Vervloeckinghen en opentlijcke

Schandalen en Geweldt-stucken heeft dan dit wapen-loose Wicht al uyt

te staen? Wie can sich hier tegen canten? ‘t is Radeloos. Soo een wil

ick D.E. dan op geen hoochte geclommen hebben te geeuwen en te gie-

ren aan Mars en sijn Trauwanten om Spietsen en Sweerdeu: Neen:

65 Neen; bootst niet nae het bloet-dorstige Pausdom: die de Borsten van Pro-

serprina, (Princesse des Affgrondts Nichte en Bruydt Plutonis) hebben uyt-

gesogen: en haer professie van sachtmoedicheyt op sijn Broer Knelis ver-

getende als rasende raepen om wraeck om koppen hangen en bran-

den; Ach! neen: maer wie dit mijn gering Wercxken (tot leere op-

70 weckinge ende stichtinghe van my selfs en mijn Even-Naesten een-

voudich gedaen) in de Ziel mach nijpen; laet die spreecken met Alberto, den

Eerts-Bisschop van Mentz den welcken in den jare 1530.) op den

Rijcxdach verschenen zijde den Bijbel wat door-bladende uyt-barste ende

seyde; ick weet niet dat dit voor een Boeck is; ick sie wel alles watter

75 in staet dat het teghen ons zy.


) Siet in Orat, Beckmanni de Barbar. ) Apud Serar. in Troleg. Bibl. Pag. 137.


Eyndelijck wordt D.E. dit op-ge-offert niet nae der Schilder-con-

ste het Werck eenen Schoonen glants te geven; maer so wel door spreec-

kende als stil-swijgende Schilderyen alle opentlijcke fauten soo in Vrou-

welijcken stijl Rijm aff-wijckinge der Materie als andersins (bestaen-

80 de uyt vochtige Herssenen soo ’t onlangs tegens sekeren Joffrou zy ge-

dreven) ten toon te stellen en een gewisser grondt te leggen waer op

men beslepener Materialen can gebouwt worden wordt van Herten be-

geert: Ende sal de ledige tijdt nevens mijne Huys-sorge gaerne waer nemen

met meerd’ren ijver mijn sinnen te oeffenen in alles wat strecken can tot

85 Godes Eere onser Zielen Zalicheyt (en daer op volgen moet de ver-

smaetheyt deser Eeuwe:) waer toe ons wil ervorderen Hy die daer een

mael den Aerdtbodem rechtveerdelijck sal oordeelen door een Man dien

hy daer toe bescheyden heeft: AMEN.


SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN



Anagram door Fonteyne


Claude Fonteyne is van 1626 tot aan zijn dood in 1654 een zeer invloedrijke drukker. Hij is een centraal figuur binnen de Friese cultuur van hogere burgers: hij initieerde de publicatie van moralistisch-stichtelijke teksten van auteurs uit zijn eigen provincie, en schreef daar zelf vaak drempeldichten bij. In Spreeckende Schildery staan twee gedichten van zijn hand, waarvan onderstaande de eerste is. Het bevat een anagram op Van Griethuysen’s naam, ‘Alle breyn is in v gehuyst’, maar is daarnaast een kort en makkelijk gedicht. Fonteyne bezingt Van Griethuysen door te stellen dat ze meer verstand en kennis heeft dan voor de meeste mannen weggelegd is en prijst daarna alle mensen en zaken die iets met haar van doen hebben gehad gelukkig: degene die haar ten doop gegeven heeft, haar ouders en echtgenoot, en tot slot ‘yedereen, (want) van u can elck wat leeren’.



Anagramma, ofte Naems Sin-Spreuck;

OP DE NAEM

SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN.

ALLE BREYN IS IN V GEHUYST.


5 Gezegende Sibyll’! in wien Godt heeft ghegoten,

Meer Breyn, en Kunst, als in veel Mannen is besloten:

Gheluckigh is geweest den Dach van u Geboort’:

Geluckigh, die, ten Doop als Peet, u heeft ghegheven;

Geluckigh, die den den naem SIBYLL’ u heeft ghegheven;

10 Gheluckigh, die u Tongh en Keel-Stem heeft ghehoort;


Gheluckigh is u Man, voor wien dit Breyn van Buyghen;

Gheluckigh, dien ghy queeckt, en die uw’ Borsten suyhen;

Gheluckigh is de Stadt, die sulcken Vrouwe huyst;

Gheluckigh is het Volck dat met u mach verkeeren;

15 Geluckigh, yedereen, van u can elck wat leeren;

Want, ALLE BREYN, en Kunst, IS IN V Hooft GEHUYST.


C. FONTEYNE



Arnold van den Busch aan Van Griethuysen



Over de loflijcke Dichts-Verklaringe der Spreucke

Des Hooghen Liedts Salomonis, Capittel I. Vers. 4.

Ghecomponeert voor de E. E. Juffr.

SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN.

KLINCKERT.


KOomt, wack’re Geesten, koomt, die meer als ‘t Mensch’lijk achtet,

Die ‘t sichtbaer nat entvliest; meer als op tijd’lijck siet,

En ancker d’oogen-strael op ‘s Conings Hooge Liedt,

Diens Godlijck Dicht en Klanck, op heyl’ge Ooren wacht et:


5 Koomt oock, gy, die noch leght, door eygen quaet, verkrachtet,

En leen, Gesicht off Oor, dit Boeck, dat men u biet:

Ay! hoort Godts Zangeres, en trou de Werelt niet,

Eer ‘t zielig Luchtje ruymt, waer door dijn Lijff versmachtet:


Hier singt een Juff’re Stem, van d’heyl’ge Zielen-tocht,

10 En hoe den Loop begint, en waer’t den Looper brocht;

Voeg Stem in sulcken Rey, die Hemels is, en Heylich,


En danck Sibylla, die ‘t Verstandt maeckt kennis-wis;

Diens Vrouwelijcke Penn ‘ der Deucht Op- weckster is:

Haer Handt wijst Waerheyts wech, die quaet-vry is, en veylich.


VERVOLG.

15 Zong dit de keel van Philomeel, in’t wilde

Diens Fluyten-slach dy zonderling beviel;

Soo kom en hoor een op-getrocken Ziel

En geeff ‘t ghehoor niet vruchteloos te spilde:


Hier schenckt Sibyll’ haer Sangen Godlijck milde:

20 Gy vraegt misschien hoe komt een Vrou daer an?

Wel hoe? mijn Vrient off is dit ‘teerste dan?

Gelijck’t niet is met recht dan twijvel stilde:


Doch denckt gy weer off spreeckt een Vrou is teder:

Wat sou-se doen? koom sie en lees haer Werck

25 Terwijl haer Stem singt in Gods Heyl’ge Kerck

Soo oordeelt uyt de trecken van haer Veder.


A. van den Busch.


An - mercken doet leeren.



Sonnet door Van den Bosch



Klinckert.

An de E. E. Vrouwe:

SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN.


Ioffrou, off Sang-Heldin, die, op de Pluym der Swamen,

Zijt waerdich om gevoert, door ‘t Hingsten-Hoeff-slags Nat,

Ten Tempel, daer ’t Gerucht, als Deugts Uyt-roepster, sat,

Om eeuwich voort het Loff van ‘t loflijck te vermanen:


5 Ghy hebt mijn heusch Versoeck, voor dees, een Pat doen banen,

Tot kennis van ‘t Ghedicht des kloecksten Konings Schrift,

Verlicht door een Sibyl. Vol-treck der Deugden Drift!

Nu janckt mijn grage lust, na sulcks, met ijver-Tranen,


Heeft noch, verloop des tijdts, door Druck, sulcks niet her-booren?

10 Soo bid ick’t maer te leen: Ay! wilt u Gonst niet smooren!

Vernoegt mijn nutte Bee! dan offert ’t Godlijck Licht,


Ten dienste van ’t Gemeen! Te goet is ’t voor de Motten,

Te Heylig, om, versloft, in’t doncker te verrotten:

Dit sal niet zijn, soo ghy doet drucken ‘t gaeu Gedicht.


ARNOLDUS VAN DEN BUSCH;


Sonnet door Van Griethuysen


BONA DIES;


WEL, ARENT! daer ghy drijft op Pluymen van de Swanen,

Gebogen voor de Throon, gedoopt in ’t Godlijck Nat,

Geparst door Pegasus, daer ‘t Choor der Deugden sat;

Wat’s dit? dat ghy my tergt, in schijn van soet vermanen?


5 Ghy pronckt my veel te schoon, doch ‘t zijn Poëetse Banen:

Mâer, can den plompen Hoop verstaen eens Rijmers Schrift?

Off Meestares Clap-School? besproeyt, met Adders Drift,

Die smeulen in het Nat van Nijtsche bracke Tranen?


Dus voert u heusch Versoeck, op ‘t meerendeel her-booren,

10 My tegen sulcken Rey, daer’t mislijck soude smooren:

Ick gunstig’ dan u Bee, en schencke ’t dy, als’t licht,


Als Phoenix in de Const: doch, een-mael, voor de Motten,

Sult ghy in swarte Slijck, als ick, en and’re rotten;

Maer, tweede Vondelen! noyt, noyt, u trots Gedicht.

SIBYLLE VAN GRIETHUYSE.



Sonnet door Fonteyne



KLINCK-DICHT.


Op de selve Maet-klanck van de twee voorighe:

Aen de vloeyende, en Sin-rijcke Dichtster, SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN,

Over hare stichtelijcke Verclaringhe van’t vierde vers des

eersten Capittels uyt het Hooge Liedt Salomons.


SIBYLL’! wiens ziele swierd’ op wieck’ en Pluym dex Swanen

Van Zions heyligh Choor, en janckt’ om Troostlijck Nat,

Gebogen voor den Throon, daer Christ, ons Heylant, sat;

Wiens Geest, u dreeff om Godt, tot Treckt mij, te vermanen:


5 Doen poogd u Breyn en Pen, Godts Volck den wech te banen,

Nae’t Nieuw Jerusalem, uyt Salmons wijse Schrift;

Waer aff, u Gheest, den Sin, verclaert, met sulcken Drift,

Dat ghy, Godts Kind’ren, sticht, vertroost, en oock doet tranen,


Sulck Teeltsel, Vruchtb’re Vrouw! word’ meer, uyt u, herbooren!

10 Met Godes Gheest u drijft, laet dan de Vrucht niet smooren!

Maer Baert en voedt wat Groots, en brengte’t in het Licht!


Verwerptet in gheen hoeck, voor ratten, muysen, motten!

Leyt Breyn, en Handt, in hen, eer die de Doodt doe rotten:

Mijn Perssen staen gereedt, te drucken ‘tgheen ghy dicht.

C. Fonteyne.



Albertus Bieruma aan Van Griethuysen



Op het Gheleerde Rijm-Werck,

Van de Hoogh-begaefde Vrouwe,

Vrou SIBYLLE van GRIETHUYSEN;

Over het vierde vers des eersten capit-

tels uyt het hoge-Liedt SALOMONS.


Daer is wel eer een Twist by Leeraers op-geresen

Welck doch in dit Geschil de Waerheyd mochte wesen:

Off dat de Wereld noch wierd Boser als-se was?

Dan of sy van haer Quaedt noch dagelijcks genas?

5 ‘t Ghemeen gevoelen is: Sy wast noch in Gebreken.

Maer wat de Reden treft die hoor ick anders spreken:

Want soo gy maer besiet het Goddeloose Rot

Wat Zonden zijn nu doch? die niet zijn tegens Godt

Voor duysent hondert Jaer begaen? gelijck de Boecken

10 Van’t Oud’ en ’t Nieuw Verbondt en aller Wereld-boecken

d’Historien een waer’ getuyghenisse zijn;

En oock d’Ervarentheyt een clare Sonne-schijn

Daer tegen so gy staet u Oog op ’t Volck des Heeren;

Gaet sich het selve niet aen alle kant vermeeren?

15 Ja soud’ in Heylicheyd het Joodtsche Jacobs-zaet

Ons heden connen zijn een rechte Levens-maet?

Is niet selfs Israël den Heer’ vaeck af-geweken?

En d’eerste Christen-Kerck bevonden in Gebreken?

Voorts so gy u Vernuft wat hogher stijgen laet

20 Gy sult Voorsichticheyd bemercken in der daet;

Welck noyt en heeft gehadt het Volck van d’Oude Wereld;

Oock Wijsheyd en Verstand waer meed sy nu bepereld

Gaet blincken als de Son: wat Kenniss’ was al eer

Van Godt? en’t Godd’lijck Woord? en Wercken van den Heer?

25 Zij die waer van wij nu door Godts Genade roemen?

Nu hoort men niet alleen veel Mannen Doctors noemen;

Maer Vrouwen boven dien zijn nu also begaeft

soo dat hare vlugge Pen op hoghe Paden draeft:

Hier van een claer bewijs zijn dees’ geleerde Verssen

30 Gecomen door de Pen uyt u beslepen Herssen

Begaefde Vrou SIBYLL’! Gy zijt door u Verstand

Een Roem voor uwen Man een Cierssel van het Land;

Ghy teelt Natuyrlijck Zaet vermits u frissche Jaren

Ghy condt noch boven dit Papiere-Kinders baren

35 Die van den ouden Tijdt niet worden op-geteert

Maer door u Name wordt in eeuwicheyd ver-eert:

De CLACHTEN JEREMI’, uyt Godes woord genomen:

Siet daer noch beter Proeff van uwe Vruchtbaerheyt

Is door u Geestich Breyn tot drucken al bereyt:

40 Van onse Roepinghe; van Christi komst ten Oordeel;

Van ’t eeuwich-duyrend’ Heyl, en aller Vromen Voordeel,

So is u Stoffe nu; Ja wat een grote Vreugd

Elck een genieten sal, nae sijn begane Deughd;

Wat Volheyd Godes Kerck be-erven sal hier boven,

45 En hoe wij onsen Godt daer eeuwich sullen loven.

Hier over hebben wel veel Mannen oyt gesweet

’t Geen gy gheleerde Vrou! met uwe Sinnen smeedt.

’t Zijn saken van Geheym; Gy weetse so te dichten

So datse Leeck en Clerck tot lering’ connen stichten

50 Ja Godts Gemeynte sal genoechsaem Onderricht

Bekomen uyt dit Werck tot hare kercken-plicht.

Waerom gy weerdich waert dat Fama ginck trompetten

U Naem wiens Eer en Loff u niemandt kan beletten:

En dat Apelles streeck naer u een Schildery

55 En dat Apollo selfs een Vers daer dede by:

Op dat men met u Werck u Aensicht mochte kennen;

En dat u Roem en Faem mocht door de Wereld rennen.

Vaert wel begaefde Vrou! neemt on-vervalschte Gonst

Voor Dicht en Poësy voor groote Meester-Const.


Applaudebat (grieks zinnetje)

ALBERTUS BIERUMA, L. F. Gron. Fris.

S. S. Theolog. Stud.



Dankdicht Van Griethuysen


Spreeckende Schildery eindigt met een gedicht van Sibylle van Griethuysen zelf, waarin ze de dichters die lofdichten over haar bundel geschreven hebben, wilt bedanken voor hun gunst. Ze zegt echter dat haar poëzie maar slecht geschreven is en vergelijkt het met fluiten - wat als iemand het fluiten zou aandikken alsof het een orgelklank is; wordt dat niet door iedereen bespot? Van Griethuysen geeft aan dat ze niet op zoek is naar spot of lof, ze vergelijkt haar poëzie met de fluit, dat moet wijken voor het orgelspel: de poëzie van de drempeldichters. Van Griethuysen hanteert hier duidelijk de gebruikelijke bescheidenheidstopos door haar eigen poëzie niet alleen neer te zetten als gebrekkig, maar ook als minderwaardig naast de werken van andere dichters die in Spreeckende Schildery zijn opgenomen.



Aen verscheyden Lieff-hebbers der poësie,

die op dit Werckjen hebben geschreven;


‘t Is ongerijmd’, ‘t zijn wilde Verssen,

Gebroeders van den Helicon,

Het roemen en het Eeren-Dichten,

Op d’ on-loff-waerde Schildery.


5 So yemandt oyt het Floyte-pijpen

Verbreyde voor des Orgels klangh;

en spotten niet de Cloeckste Mannen,

Hier om, so wel als ‘t Dorp’re Volck?

Geen Twijffel:


10 Wel dan, verlichte vlugge Pennen,

Ick soeck geen Spot, ick vley geen Loff;

Ick danck u gonst, ick sie u glants:

Dies, ongerijmd’, moet d’uves wijcken.


S.V.G.


Laatst gewijzigd: 15 juni 2014


1. Dat Van Griethuysen benadrukt dat zij niet wil dat er approbatie verleend wordt ten gunste van haar eigen roem of voordeel, impliceert dat eigen gewin wél mogelijk is en bovendien gezien wordt als een optie, óók voor een vrouw die over religieuze zaken neemt. Lees hierover verder in de inleiding Terug
2. Van Griethuysen presenteert hier, net als in bovenstaande voetnoot, een brede verspreiding van haar werk als optie: ze zoekt hier nadrukkelijk publiek. Terug